Paus Paulus VI in zijn encycliekopulorum Progressis van 1967, over de ontwikkeling van de volken, in een hoofdstuk over ‘de aardse goederen’:
“[H]elaas heeft [een] nieuwe situatie in de samenleving geleid tot opvattingen, die het maken van winst beschouwden als de voornaamste prikkel tot economische vooruitgang, de vrije concurrentie als de hoogste wet van de economie, de privaateigendom van de productiemiddelen als een absoluut recht, zonder beperking en zonder daaraan beantwoordende sociale plichten. Deze vorm van ongebreideld liberalisme leidde tot een soort tirannie, die door onze voorganger Pius XI terecht is afgewezen, als zijnde de bron van een “financieel internationalisme of internationaal imperialisme”.*) Men kan een dergelijk misbruik van de economische goederen niet scherp genoeg veroordelen, omdat de economie – dit willen wij nog eens met alle nadruk verklaren – alleen ten dienste mag staan van de mens. Maar al is het waar, dat een bepaald soort kapitalisme de oorzaak is geweest van veel leed, veel onrechtvaardigheid en broederstrijd, waarvan wij de gevolgen nu nog ondervinden, toch zou het onjuist zijn om aan de industrialisatie zelf de schuld te geven van het onheil, dat eigenlijk te wijten is aan de verderfelijke economische theorieën, die een begeleidingsverschijnsel vormden van de industrialisatie. Wij moeten integendeel naar recht en billijkheid erkennen, dat de organisatie van de arbeid en de voortschrijdende industrialisatie een onontbeerlijke bijdrage leveren tot het ontwikkelingswerk.
Paus Johannes Paullus in Centesimus Annus (1991), encycliek ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum van paus Leo XIII.
De encycliek Rerum Novarum kritiseert de twee sociale en economische systemen, het socialisme en het liberalisme. Aan het socialisme is het eerste deel gewijd, waarin het recht op de privé-eigendom bevestigd wordt. Aan het liberalisme is geen speciale sectie gewijd, maar – en dit verdient aandacht – de kritiek daarop wordt gegeven als het thema van de plichten van de staat behandeld wordt.*) De staat mag er zich niet toe beperken te “zorgen voor een deel van de burgers”, namelijk voor het rijke en welvarende deel, en hij mag niet “het andere deel verwaarlozen”, dat ongetwijfeld de grote meerderheid van het sociale lichaam vormt. Anders schendt men de rechtvaardigheid die wil dat men ieder het zijne geeft. “Bij het beschermen van de rechten van de individuen moet vooral aandacht geschonken worden aan de geringen en armen. Want de klasse van de rijken is door eigen middelen beschut en heeft dus de bescherming van de overheid minder nodig; maar de klasse van de armen, die niet uit eigen kracht beveiligd is, steunt vooral op de bescherming van de staat. Daarom moet deze zijn bijzondere zorg en voorzieningen uitstrekken tot de loonarbeiders, die tot het grote aantal van de behoeftigen behoren”.*)


